zijn
worden
blijven
blijken
lijken
schijnen
heten
dunken
voorkomen
aanbakken
aanbelanden
aanblijven
aanbreken
aandrijven
aaneengroeien
aaneenknopen
aanflitsen
aanfloepen
aangaan
aangroeien
aanhouden
aanklikken
aankoeken
aankomen
aanlanden
aanliggen
aanlopen
aanschikken
aanschuiven
aansluiten
aanspoelen
aansterken
aansterven
aanstevenen
aanstiefelen
aanstuiven
aantreden
aantrekken
aanvangen
aanvaren
aanvliegen
aanwassen
aanwippen
aanzetten
aanzwellen
acclimatiseren
accumuleren
achterblijven
achternarijden
achteroverslaan
achteruitgaan
adelen
afbladderen
afblijven
afbranden
afbrokkelen
afdalen
afdrijven
afdruipen
afgaan
afglijden
afhaken
afkalven
afketsen
afkoelen
afkomen
afleken
aflopen
afnemen
afnokken
afreizen
afremmen
afscheuren
afschilferen
afslaan
afslanken
afslijten
afspoelen
afstammen
afstompen
afstuderen
aftaaien
aftakelen
aftreden
aftrekken
afvallen
afwijken
afzakken
afzweren
agglutineren
arriveren
asfyxiëren
assimileren
barsten
bedaren
bederven
begroeien
beharen
bekanen
bekomen
belanden
benen
bersten
beschimmelen
beslaan
besterven
betrekken
bevallen
bevriezen
bewolken
bezinken
bezwijken
bezwijmen
bijblijven
bijeenkomen
bijkomen
bijschuiven
bijspringen
bijtrekken
bijvallen
binnenblijven
binnendringen
binnengaan
binnenkomen
binnenlopen
binnentrekken
binnenvallen
bladderen
blijven
bloezen
boemelen
botsen
bovenblijven
bovenkomen
breken
brommen
bronzen
buitelen
chambreren
coaguleren
collaberen
compareren
condenseren
convergeren
copolymeriseren
creperen
crossen
cumuleren
dalen
dampen
dartelen
daveren
davvenen
de-escaleren
decompenseren
deconfessionaliseren
degenereren
degraderen
dehydrateren
deinzen
democratiseren
demonstreren
derailleren
deserteren
destabiliseren
detoneren
devalueren
dichtslibben
dichtvriezen
dippen
dissociëren
dobberen
donderen
doodblijven
doodbloeden
doodgaan
doodlopen
doodvallen
doorbreken
doorbuigen
doordraaien
doordringen
doorrijden
doorschieten
doorsteken
doortrekken
doorvloeien
draaien
dretsen
dribbelen
drijven
drogen
droppen
druipen
druppelen
druppen
dubbelslaan
duikelen
duiken
dwalen
dwarrelen
emigreren
emulgeren
eroderen
escaleren
evacueren
evaporeren
evolueren
expanderen
expireren
exploderen
federeren
filteren
finishen
fladderen
flauwvallen
fragmenteren
gaan
garen
gebeuren
gedijen
genezen
geraken
geschieden
gijpen
gisten
glijden
gnuiven
grijzen
groeien
groenen
gutsen
harden
heengaan
heenlopen
heenrijden
heenvlieden
helen
herbeginnen
herleven
herrijzen
herstellen
hertrouwen
hervallen
hinken
hippen
hollen
huppelen
huppen
huwen
immigreren
imploderen
inbranden
inburgeren
inclineren
indommelen
indringen
industrialiseren
ineensmelten
ineenstorten
infiltreren
ingaan
inklappen
inklimmen
inklinken
inkomen
inkrimpen
inkruipen
inlopen
inrukken
inslaan
inslapen
insneeuwen
inspringen
instorten
integreren
intreden
invallen
invaren
invliegen
inzetten
ioniseren
isomeriseren
italianiseren
jakkeren
joggen
kaatsen
kabbelen
kalen
kalmeren
kanaalzwemmen
kantelen
kapitaliseren
kappen
kapseizen
karameliseren
karamelliseren
kelderen
keren
klaarkomen
klappen
klaren
kleuren
klonteren
klotsen
klunen
knallen
knappen
koeken
koken
kolken
komen
kreukelen
kreuken
krimpen
kristalliseren
kroezen
kromtrekken
kronkelen
kruien
kruimen
kruipen
kuieren
kukelen
kwijtraken
kwijtspelen
landen
langlaufen
langskomen
laveren
lazeren
leegbloeden
leeglopen
lengen
liggen
lobberen
lopen
losbarsten
losschieten
losslaan
lukken
luwen
marcheren
meanderen
meedeinen
meedrijven
meegaan
meekomen
meelopen
meerijden
meevallen
meevaren
meevliegen
migreren
mineraliseren
misgaan
mislopen
mislukken
muteren
nabijblijven
nabijkomen
nablijven
naduiken
nagaan
naken
nasporen
navolgen
neerploffen
neersijpelen
neerslaan
neerstorten
neigen
omdraaien
omgaan
omhooggaan
omkeren
omkieperen
omkomen
omkukelen
omlaaggaan
omrijden
omslaan
omvallen
omverwaaien
omwaaien
omzeilen
onderduiken
ondergaan
onderlopen
ondersneeuwen
onderstromen
ontaarden
ontbinden
ontbranden
ontdooien
ontgaan
ontkiemen
ontkomen
ontleden
ontlopen
ontluiken
ontmenselijken
ontploffen
ontrollen
ontsnappen
ontsporen
ontspringen
ontspruiten
ontstaan
ontsteken
ontstemmen
ontvallen
ontvlammen
ontvluchten
ontvolgen
ontvolken
ontwaken
ontwennen
ontwijken
ontzilten
ontzuilen
opblijven
opbloeien
opborrelen
opbranden
opbreken
opbruisen
opdagen
opdoemen
opdonderen
opdraaien
opdringen
opdrogen
opduiken
openblijven
openbreken
opengaan
openzwaaien
opfleuren
opflikkeren
opgaan
opgroeien
ophoepelen
ophouden
opklaren
opklimmen
opknappen
opkomen
oplaaien
oplichten
oploeven
oplopen
oplossen
opmonteren
oprijzen
oprotten
opschieten
opspuiten
opstaan
opstijgen
opstuiven
optreden
optrekken
optyfen
opvallen
opvliegen
opwarmen
opwassen
opzetten
opzwellen
overdrijven
overeenkomen
overgaan
overkoken
overkomen
overlijden
overrijden
overslaan
oversteken
overtrekken
overvaren
overvliegen
oxideren
peddelen
penetreren
pensioneren
peptiseren
ploegen
ploeteren
ploffen
plonzen
polymeriseren
postvatten
racemiseren
raken
rammelen
recupereren
reduceren
regenereren
rennen
repatriëren
revalideren
rijden
rijmen
rijzen
roeien
romaniseren
ronddraaien
rondkomen
rondlopen
rondvaren
roteren
rotten
samenblijven
samenkomen
samensmelten
samenvallen
scharrelen
schavelen
schavielen
scheefgroeien
scheiden
schepen
scheuren
schieten
schiften
schoolblijven
schoolgaan
schrijden
schrikken
schroeien
schrompelen
schuifelen
siepelen
sieperen
sijpelen
sijperen
sjezen
sjokken
skiën
slaan
slagen
slenteren
slijten
slingeren
slinken
slippen
slooien
sluipen
smelten
smeren
sneuvelen
sneven
snorren
snowboarden
splijten
sprieten
springen
sprinten
spruiten
spuiten
stabiliseren
stagneren
stappen
starten
sterven
stevenen
stijgen
stikken
stilvallen
stoelen
stollen
stormen
stranden
stremmen
stromen
struikelen
stuiten
stuiteren
stuiven
stukgaan
stukslaan
sublimeren
suizen
sullen
tegeneten
tegenkomen
tegenvallen
tekeergaan
tekortschieten
teloorgaan
tenietgaan
terechtkomen
terugdeinzen
terugdrijven
teruggaan
terugkaatsen
terugkelderen
terugkeren
terugkomen
teruglopen
terugschrikken
terugtreden
terugvallen
thuisblijven
thuiskomen
toenemen
toeren
toestromen
toetreden
totaliseren
transmuteren
treden
trekken
trouwen
tussenkomen
uitbarsten
uitblijven
uitbreken
uitdijen
uitdoven
uitdraaien
uitdunnen
uiteenlopen
uiteenspatten
uiteenvallen
uitfaden
uitgaan
uitglijden
uitgroeien
uitkomen
uitlekken
uitlopen
uitpakken
uitregenen
uitrijden
uitrollen
uitrukken
uitscheiden
uitschrijven
uitslaan
uitslijten
uitspringen
uitspuiten
uitstappen
uitsterven
uittreden
uittrekken
uitvallen
uitvaren
uitwijden
uitwijken
uitzetten
vallen
vastvriezen
verachtvoudigen
veramerikaansen
veranderen
verarmen
verbeteren
verbleken
verbloeden
verbranden
verburgerlijken
verdampen
verdeluwen
verdergaan
verdichten
verdierlijken
verdikken
verdorren
verdrievoudigen
verdrinken
verdrogen
verdubbelen
verdunnen
verdwalen
verdwijnen
vereelten
verergeren
verfomfaaien
verfransen
vergaan
vergassen
vergelen
vergisten
verglazen
verglijden
vergroeien
verhevigen
verhongeren
verhufteren
verhuizen
verjaren
verkalken
verkolen
verkrampen
verkruimelen
verlijden
verlijeren
verloederen
verlopen
vermageren
verminderen
vermolmen
vernikkelen
verongelukken
verouderen
verrekken
verrijzen
verrotten
versagen
verscheiden
verschieten
verschijnen
verschimmelen
verschroeien
verschrompelen
verschuiven
verslechteren
verslijpen
verslijten
verspringen
verstarren
verstenen
verstijven
verstommen
verstoppen
verstrijken
verstuiven
versuffen
verteren
vertrekken
vervalen
vervallen
vervellen
vervetten
vervliegen
vervlieten
vervormen
vervuilen
verwateren
verweken
verwelken
verweren
verwesteren
verwilderen
verworden
verzadigen
verzanden
verzengen
verzinken
verzitten
verzuipen
verzuren
verzwakken
verzweren
vlieden
vlieten
vlinderen
vloeien
vluchten
voeteren
volgen
volkomen
vollopen
vonken
voorbijfietsen
voorbijgaan
voordringen
voorijlen
voorkomen
voorovervallen
voortgaan
voortkomen
voortschrijden
voortsjokken
voortvluchten
vooruitgaan
vooruitkomen
vooruitlopen
vooruitsteken
voorvallen
vorderen
vreemdgaan
waggelen
wandelen
wankelen
waren
warmlopen
wassen
weeromkeren
wegblijven
wegdoezelen
wegdommelen
wegebben
weggaan
weghollen
weghuppelen
wegijlen
wegkomen
wegkruipen
wegkwijnen
weglopen
wegraken
wegrennen
wegrijden
wegslaan
wegslinken
wegsluipen
wegspringen
wegsterven
wegstormen
wegteren
wegtrekken
wegvallen
wegvliegen
wegwezen
wegzinken
wegzwemmen
weken
welvaren
wenden
wervelen
wezen
wijken
willigen
woekeren
worden
wortelen
wrongelen
wurmen
zakken
zieden
zigzaggen
zijgen
zijn
zijpelen
zijpen
zinken
zitten
zoekraken
zoeven
zwammen
zwellen
zwemmen
zwichten
zwieren